Een interview met Ingrid Paul. De 43-jarige trainster van Team Telfort heeft heel wat te vertellen. Over uitdagingen, leven uit de koffer, media-aandacht en een gezinnetje.
Altijd onderweg, achter de schaatsers aan. Of moeten we zeggen dat de schaatsers achter háár aan gaan? Eigenlijk is dat laatste het geval. Ingrid Paul is de hoofdtrainer van Team Telfort. En niet zonder succes.
We spreken af in het luxe Van der Valkhotel in Wolvega. Net vóórdat het WK sprint begint. Spannend? “Anderen zijn gespannen, maar ik ben meestal vrij relaxt”. Het is aan haar badslippers en comfortabele joggingbroek te zien. Ze heeft ook alle reden niet al te gespannen te zijn. Al haar pupillen zijn in goede doen en bedrijven staan inmiddels te popelen de rol van Telfort aan het eind van dit seizoen over te nemen.
Bij het begin beginnen maar. Nu in Wolvega, volgende week in Hamar, dan achtereenvolgens Baselga di Piné, Berlijn, Inzell en weer Heerenveen. Leven uit de koffer. Zo’n 200 dagen per jaar onderweg. “De situatie leent zich er bij mij voor. Ik heb geen gezin, niets dat me thuishoudt. Ik kan me voorstellen dat het voor mensen die dat wel hebben lastiger is”.
En om maar met de deur in huis te vallen: wordt het voor Ingrid Paul dan niet eens tijd voor zo’n gezin? “Ik zou dat best willen. Ik wil ook best een partner hoor, maar ach, nog niet tegengekomen”. Voorlopig heeft ze het dus nog prima, al reizend. Met haar 43 levensjaren heeft ze er al heel wat belevenissen opzitten. In 1988 reed ze de Olympische Spelen in Calgary. Op de 3000 meter werd ze gediskwalificeerd en op de 5000 meter werd ze teleurstellend 14e.
“Ik ging veel te hard van start en blies mezelf volledig op”. Ze begint er wat moeilijk bij te kijken. “Ja dat was echt balen. Ik heb in mijn eigen schaatscarrière een aantal dingen verkeerd gedaan, achteraf dan. Ik ben veel te vroeg gestopt en de begeleiding was natuurlijk nog lang niet zo professioneel als nu. Ik kon best heel aardig schaatsen, maar ik heb dat veel te weinig laten zien”.
Paul stopte vroeg, want de studie lonkte. Ze is inmiddels arts en zo goed als afgestudeerd in de sportgeneeskunde. “Ik moet nog een artikel schrijven en enkele dagcursussen volgen. In de winter komt het er door de drukte niet van. Ik wil dat komend voorjaar afronden”.
Ze wil blijven ontwikkelen. Ze gaf er haar carrière als schaatser voor op. “Dat deed je toen gewoon. Het was toen een stuk minder professioneel. Nu kunnen de schaatsers er een mooie boterham mee verdienen, maar dat was toen niet zo. Ik deed het puur voor mijn plezier, maar op een gegeven moment gingen andere dingen voor”.
De sport loslaten deed ze echter nooit. In 1993 werd ze bondscoach van Canada en won met Cathriona LeMay goud op de Spelen. In 1998 verhuisde ze naar Noorwegen om daar hoofdcoach te worden en twee jaar later begon ze met Gretha Smit de DPA-ploeg. Dat veranderde later in Telfort, alwaar ze vandaag de dag nog steeds de scepter zwaait.
“Ik ben inderdaad de verantwoordelijke persoon in het team. We hebben een prachtig begeleidings team: drie fysiotherapeuten, twee artsen, een assistent trainer en een psycholoog die allen een belangrijk deel bijdragen. Ik ben echter degene die de lijnen uitzet. De logistiek, de wedstrijd- en trainingsschema’s, wanneer de schaatsers moeten pieken, enzovoort”.
Eén van Pauls' filosofieën is dat het team zoveel mogelijk met elkaar traint. Heel af en toe valt het team echter uiteen. “We zijn niet altijd allemaal op dezelfde plek. De één rijdt soms ergens anders wedstrijden dan de ander. Dan gaat Ron Neymann (de assistent trainer, red.) met de ene helft mee en ik met de ander. Het werk wat gedaan moet worden, de schema’s voor de trainingen bijvoorbeeld, schrijf ik, en Ron voert dat dan met hun uit. In zo’n situatie hebben Ron en ik dagelijks contact”.
Het klinkt wellicht wat dictatoriaal, maar het werkt. De hele ploeg staat op scherp. Jan Bos werd bijna wereldkampioen sprint, Gretha Smit drukte haar neus weer aan het venster, Tom Prinsen is terug en ook Remco Olde Heuvel kon weer eens imponeren. “En dat vind ik leuk. Verrassen. Iemand weer terug brengen aan de top, waar anderen zeggen dat dat nooit meer zal lukken”.
Voorbeelden heeft ze ook. Achteraf de mooiste momenten uit haar carrière. “Het goud van Bob de Jong op de Spelen in Turijn. Wauw! Alles klopte, hij raakte alles, hij had nét dat extraatje. Hij verbaasde iedereen. Dat is schitterend. Net als Jan Bos op het WK sprint twee jaar terug. Hij won niet, maar verraste wel. Tom Prinsen, die nu weer vlak rijdt tot op de laatste seconde. Stefan Groothuis twee jaar geleden tijdens een wereldbeker in november, waar hij een 1.07 reed. Ja, daar doe je het allemaal voor“.
En succes komt niet vanzelf. In de zomer wordt gearbeid, in de winter geoogst. “Met de vorm waarmee je een winter ingaat, kom je er vaak ook uit. Tijdens het seizoen is er amper tijd voor zware trainingsblokken”. En dus trainde ook Telfort hard afgelopen zomer, ondanks dat slechts de beelden van de TVM’ers bij de meeste mensen nog op het netvlies staan.
“Tja, ik vind dat de media in de zomer een neutrale blik moet hebben op alle teams”, reageert ze op het feit dat de meeste media alleen de groene brigade opzochten tijdens de zomermaanden. “Zo ontstaat het beeld dat alleen zij het schaatsen in Nederland vertegenwoordigen, en dat is niet juist. Dat doen vele schaatsers met elkaar. En wie er in de winter het hardst rijdt verdient ook alle aandacht, en als dat dan alleen groen is, dan is die aandacht helemaal verdiend. Deze winter zie je al weer dat het niet elk jaar hetzelfde is, en zo zal het altijd zijn in de sport, en dat is juist het mooie ervan”.
“Meer PK’s, sneller openen, wereldkampioen worden. Ieder heeft zijn eigen trainingsideeën. Dat is juist mooi. Maar zo eenvoudig is het allemaal niet natuurlijk, dat zie je aan Wennemars, die zich als topsprinter niet plaatst voor het WK sprint. Het uitdagende is om uit te vinden welke training, op welk moment, het beste is voor een atleet. En reële doelen stellen en je daarop focussen”.
“Voor Jan (Bos, red.) is het reëel om 1000 meters te winnen. Daar focust hij zich op. Het zou niet reëel zijn te zeggen dat hij 9,5 moet openen terwijl hij al 15 jaar 9,9 opent. Ik kijk altijd wat voor vlees ik in de kuip heb en bepaal dan hoe ik het beste eruit haal”.
Mensen beter maken, verrassen, het maximale eruit halen. Dat zijn de uitdagingen van een trainster van een goede, maar niet de béste schaatsploeg. “Als je naar absolute resultaten kijkt hebben we inderdaad niet de beste ploeg, maar als je naar onze relatieve score kijkt dan doen we het fantastisch. We hebben sowieso het kleinste team, dus minder rijders die kunnen winnen. Maar een ieder in het team heeft zich weer verbeterd en we hebben al veel prijzen gewonnen. Ik zou natuurlijk best graag met een kampioen als Sven Kramer willen werken. Dat zou elke coach wel willen. Maar ik héb kampioenen in mijn team, zie Jan Bos het afgelopen weekend, en ik haal er op deze manier veel voldoening uit”.
Met al die diploma’s op zak en zware studies achter de rug zou de wereld van de geneeskunde opnieuw kunnen lonken. “Nee, dat doet het niet echt. Ik heb een schitterend beroep en gebruik mijn kennis als arts iedere dag. Zoals nu met Stefan Groothuis. Hij kan nog niet schaatsen, maar staat er lichamelijk al weer erg sterk voor. Ik vind dat super interessant om me daar mee bezig te houden, om dat lichaam weer aan belasting te laten wennen”.
Flexibel zijn, aanpassen aan de omstandigheden, mensen, dynamiek, groepsprocessen, teamgeest. Allemaal positieve kanten van het verhaal. Toch zou ze wel eens lekker een thuis willen hebben. “Ik heb al meerdere keren gedacht aan stoppen, maar op één of andere manier gebeurt dat maar niet”. En dat komt vast niet voor niets. Ingrid Paul vindt de sportwereld nog veel te mooi.
“Ik kan niet zonder sport. Het is mijn lust en mijn leven. Bezig zijn, bewegen. Nee, zelf structureel sporten doe ik nauwelijks meer. Ik hou mezelf wel fit hoor, ik wil wel de dingen kunnen doen die ik wil doen”.
(C) SkatePodium.com
Geert Plender